Medelijden

A. Averkamp

'k Weende stil en zie! terwijl ik

weende, werd mijn weemoed weelde.

Zachtkens zong de wind. Het was mij

of een hand mijn wangen streelde.

'k Sloot mijne armen, liefdesmachtend,

om den boom, de groengetopte.

Trilde niet de stam? - Mij was het

of een hart aan 't mijne klopte.