Ik hore 't, gij vogelkens

A. Billiet

Ik hoore 't, gij vogelkens,

luide genoeg

herhaalt en herhaalt gij

uw' spraken;

maar, hoe ik mijn beste doe,

spade ende vroeg,

'k en wete er geen zin van

te maken.

Verstaat gij malkanderen,

elk in zijn' taal?

Verstaat, gij die meest en

die merelt,

die lijstert, die leeuwerkt, die

muscht, altemaal

uw maagschap, tot tenden

de wereld?

Geen slagers en kenne ik, zoo

dapper als... ei!

die, slaande uwen klank uit

der kelen,

komt vinken en klinken hier,

vroeg in de mei,

en zitten en zingen

en spelen.

Ge 'n hebt me noch dit, in uw'

zangen, gedwaald;

noch dat, in uw zingen,

vergeten;

gelijk is het altijd, al

't gene gij taalt,

gewikt en gemikt en

gemeten.

Zoo zongen uwe ouders, zoo

gij ook, nadien;

en, na u, zoo zingen

uw' jongen;

hebbe ievers ik nachtegaals

zonen gezien,

't was nachtegaalszang, dat

zij zongen.

Dan - alles van buiten weet ge:

al dat gij zingt

en zurkelt en zabbert;

't zit even

zoo net in zijn' haken en

oogen, mij dinkt,

of ware 't met inte

geschreven.

Daar leerde toch iemand u 't

liedergeluid

naar maten en wetten

bedwingen;

nu heffen, nu leggen: dan

in en dan uit,

van 't hoogere in 't leege

verspringen!

Geen scholen en wete ik, daar,

lastig en lang,

gij zaat, om uw' lessen

te leeren,

zoo menschen dat moeten, die

spel en gezang

betalende menschen

vereeren!

Gods werken; zijt wonder: ik

wille u verstaan,

doch, helder en wordt het...!

Geraden

en kan ik het raadsel, hoe

Hij heeft gedaan,

de Godlijke Dader,

Zijn' daden!