De gesluierde

A. Bonhomme

Aan wijden weg in open land,

waar veel wegen samen komen,

zit een gesluierde vrouw aan de kant,

- 't hoofd op de knieën - onder wat boomen.

.... Voorbijgangers schromen.....

Ieder die langs haar ging

sprak slechts in fluistering.

... Jaargetijden

komen... vergaan... verglijden...

Zij is het Leed,

dat tijd vergeet.

Geen kent haar aangezicht

tot één haar sluier licht...

Zoolang zal zij wachten en droomen

in den mist onder zwaat'lende boomen.