Uit Kerkhofblommen

A. De Hovre

Ha! beklaagt hem, die, gevangen

onder 't wegen van de pijn,

niet en kan een trane ontvangen,

weenen, en gelukkig zijn!

Arme schaap! hoe moeste het lijden

door end door zijn herte snijden,

daar het bleef in barensnood

van de bittere vrucht ontbloot!

Tranen, bittere vrucht des lijdens,

drank, die 't smachtend herte laaft,

zaad der vreugde en des verblijdens,

die God zelf verlichting gaaft,

toen, nog wandlende op de wereld,

menige uur Zijne oog, bepereld

en met droefheid overlaân,

stortte aanbiddelijk getraan!

Tranen, als bij noenenstonde

't blusschend reegnen op het kruid,

als de perel die de wonde

des gekwetsten pijnbooms sluit,

als de frissche navondkoelte

na de heete zomerzoelte,

zoeter, ja, veel zoeter nog,

zijt gij, bittere tranen, toch!

Dank! o Heere, die me ontsloten

hebt de bronne van 't getraan,

die 'k zoo dikwijls heb genoten,

dikwijls er naar toe gegaan:

moet het krimpend alsemdrinken

vriend of vijand mij nog schinken,

geeft mij, anders niet, o neen,

geeft mij dat ik tranen ween'!

Stroom van droefheid, eedle tranen;

bittere beken des geweens,

hoe kunt gij den wegel banen

ter vertroosting! Wat gemeens

hebt gij, druppelen van de smerte,

met den honingdauw des herten;

waarom, als ik lijden moet,

zijt gij, tranen, mij zoo zoet?

God Zijn wegen zijn verholen,

als Hij zalf kruid wassen doet

waar de slange zit verscholen

die den wandlaar bijten moet:

dank aan Hem, aan Wien 't bekend is

of er mate in onze ellende is,

dank aan die 't geween daarvan

met het weenen troosten kan!