De mis was aan

A. Desmet

De mis was aan de belle klonk,

't gewijde licht op den auter blonk,

de hoofden bogen eerbiedig nêer,

de wierook walmde voor d'Opperheer!

Gij zaat voor mij, zoo stil, geknfeld!

Gij zaat voor mij, en als bezield

met Englengodsvrucht, storttet gij

uw ziel voor God en baadt voor mij...

Ik bad geen enkelen Vaderons!

Ik hoorde zangen noch beêgegons!

Ik zag noch auter noch wierookdamp,

noch offeraar noch auterlamp!

Ik zag maar u, maar u alleen!

En roerloos, als een beeld van steen,

daar zat ik, droomend, en, droomend, dacht

aan u, mijn heil, zoo lang betracht!..

Doch toen het orgel den « Agnus » zong

en ' t « dona pacem » door ' t welfsel klonk,

en ik u zag kloppen ten derden keer

met blanken hande op uwherte teêr,

o Toen was ' t alles een beê in mij,

een bee, zoo smachtend en toch zoo blij:

« Da mihi pacem!... o Daar! o daar!

mijn brood! mijn vrede!.. God schenk mij haar!. »