De groote hond en de kleine kat

A. Diepenbrock

De groote hond en de kleine kat.

Een groote hond en een kleine kat,

Die zaten op de kamermat;

En de hond, die zei: Zeg, scheelt jou wat?

Scheer je weg!

En de kat, die zei: Jij bent een hond,

En ik een kat, niet zonder grond;

Hou jij dus nou jouw grooten mond:

Scheer je weg!

Scheer je weg: waf, waf! scheer je weg: sis, sis -

Scheer je weg: die is raak! scheer je weg: die's nie mis!

Waf waf! sis sis! woef woef! mauw mauw!

En een houw en een beet en een blaf en een grauw:

En de groote hond en de kleine kat

Die vlogen van de kamermat,

En de keuken in: Zeg, scheelt jullie wat?

En hij trapte op een teen,

En zij beet in een been

Van de meid, die riep: ga je heen! o mijn been!

Scheert je weg!