De klare dag

A. Diepenbrock

De klare dag, die schoon en glansrijk lacht,

Heeft schaamrood `t wilde wolkenheir verdreven,

De rust aan't moegeteisterd loof hergeven,

En zonnig zwijgen over d'aard gebracht.

De koelte (stilte)waart verkwikkelijk door de dreven,

Slechts tusschen vochte blaad'ren drupt het zacht,

Breed straalt des hemels blauw in effen pracht,

Waarlangs de vlokkig donzen wolkjes zweven.

O Eudia! Gezegend tooverwoord!

Dat vredebrengend als gewijde zangen,

Of als Homerisch lied mijn ziel doortrilt,

Gij hebt de stormen in mijn borst gestild!

Met plechtig zwijgen mijn gemoed ontvangen,

En slechts mijn tranen druppen zachtkens voort.