Meinacht
A. Diepenbrock
Ik zag in `t grondloos blauw
de sterren vonken,
En witte wolkjes komen en verdwijnen.
O klaar en koel, als menschlijke
oogen blonken
De gouden spranken,
die onze aard' beschijnen!
Toen sloeg ik d'oogen neer.
Mijn lippen dronken
Den zoelen wind,
vol geuren van jasmijnen,
En, droomensmoê, in stil genot verzonken,
Vergat mijn ziel de wilde winterpijnen.
Een nachtegaal,
op blanke bloesemtwijgen,
Verhief de stem en
zong een lied van minnen.
De lentenacht smolt weg
in aêmloos zwijgen.
Mij drong die vogelzang
door ziel en zinnen.
Uw vleug'len, zanger,
mocht ik vaak benijden,
Doch tienmaal meer uw lied
van liefde lijden!