Blondelok en Mondjerood
A. Fagel
Blondelok en Mondjerood.
Blondelok
en Mondjerood,
trokken te zamen uit wandelen!
Blondelok had blokskens aan,
Mondjerood zou barvoets gaan.
Berg op, berg af!
langs haag en heg,
op stap, op draf,
zoo waar ik zeg,
liepen ze handjen in handjen!
Het koren wiegde - Dik lag 't zand!
De vinken tjilpten over het land! -
Al de aerde zwom vol zonne!
Blondelok
en Mondjerood,
waren wel zoete gespelen!
Mondjerood bleef dorstig staan,
Blondelok sprak Braamhout aan:
'En bist-du wijn,
of bist-du bloed,
mijn zusterkijn
heeft dorst! - Gij moet
heur dorstige lippekens laven!'
De branken schudden hun bessen op grond,
voor Mondjerood baar rooden mond! -
- Al de aerde zwom vol zonne!
Blondelok
en Mondjerood,
zagen de vinken nestlen!
Onder de abeelen, hoog van top,
zochten ze 't liefste plekjen op.
't Was diep in t woud;
in zonnekleur
wiegelde 't hout
vol balsemgeur,
in 't lieve koelende lommer.
En zonder dat een blaarken brak,
klommen ze beiden op éénen tak! -
Al de aerde zwom vol zonne!
Blondelok
en Mondjerood,
nooit zijn ze uit het woud gekomen.
Lente en zomer mogen vergaan,
vorst en kou hunnen throon opslaan -
't zij dag of nacht,
't zij vroeg of laat,
steeds even zacht
en trouw en draat
zijn zij malkaar gebleven?
En of het een koppeltje vooglijns waar,
zingt immer lustig het zoete paar:
'Al de aerde zwemt vol zonne.'