Excelsior

A. Mervillie

Gelijk het peerd te stampen staat

en sperken uit de steenen slaat,

en, schuimende van den rennensdorst,

met wit bespegelt zijn zwarte borst,

zoo ligt een schip en spant en touwt

den kabel die 't gebonden houdt:

in rep en in roere staat alles aan boord,

en hooge in de vlagge daar brandt het woord

Excelsior!

Daar hong een moeder moe geschreid,

een dochter vol ellendigheid,

een knaapke rood en wit gekoond,

een vader met grijs haar gekroond,

en weenden om den hals van een

die beide en hun kind en hun broeder scheen,

die zucht noch klacht en liet, noch traan,

maar één woord van zijn lippen gaan:

Excelsior!

Hurah! zie daar dobbert het schip uit de ree,

en 't mindert en 't mindert al in de zee,

en 't storremt en 't rent door 't groene veld,

met stoomende doomende dampgeweld;

maar bij den mast en in den wind

daar staat en zwaait een edel kind

zijn land en zijn ouders en àl - vaarwel!

en, hoort gij die stemme? zij klinkt zoo fel:

Excelsior!

De winden ontbinden en bonzen op

het schip, en voeren het in den top

en dan weêr van boven ten grondewaard neêr

der golven, die wiegen weg en weêr;

omleege grinst de dood van uit

den afgrond en van boven luidt

de donder;... maar 't edele kindgelaat

en vreest niet, op de vlagge staat:

Excelsior!

Grootmoedig is uw mannenborst;

grootmoedig zijt gij, die 't wagen dorst,

om schatten gouds en edelsteen,

van ouders en land en van al te scheên;

schep moed, schep moed, gij landt welhaast

in d'have waar Fortune u blaast,

daar vindt gij goud in overvloed!

Maar 't kind zei: Neen! want verder moet

Excelsior!

Het schip landt aan: de Rijkdom staat

en vraagt den jongeling waar hij gaat;

de Weelde monkelt: Waar gaat gij heen?

Waar gaat gij? zoo gallemt, voorbij gereên,

de Blijdschap, en de Ruste, nòg:

Waar gaat - de Ruste - waar gaat gij toch?

Maar hij, al wat hij hoort of niet,

hij fluistert, terwijl hij voor hem ziet:

Excelsior!

Hij gaat. De regen klettert neêr,

de vlagen wagen weg en weêr

de boomen, die buigen en neêrewaard gaan

en tieren en zwieren en zwepen en slaan;

de rotse rolt voorbij zijn voet

en tuimelt en speerst in den watervloed;

de bergen klimmen, hij klimt med' -

en roept, een voet op hun kruin gezet:

Excelsior!

Daar bloedt, daar strekt het woeste land

wijd uit, daar ziet hij de tent geplant

van 't menschenetend wildenras,

en hoort alreede er 'et hondengebas

en 't huilen van het boschgediert,

dat rond een lijk zijn feeste viert

en 't razende volk zijn prooi betwist:

maar wat hij zal vreezen veel erger is 't:

Excelsior!

Hij plooit zijn reispak uit en staat

naar 't Oosten waar de zonne opgaat,

en op vier stokken bouwt hij daar

met éénen steen Gods Hoogaltaar,

te midden den tempel van 't wijd heelal;

de gonzende bonzende waterval

valt neffens den Priester die Misse zingt,

en roept, dat het over de rotsen klinkt:

Excelsior!

Hij spreekt: zij luisteren op zijn stem,

staan overal op, en rondom hem:

barbaren in wier ruw gelaat

de roof- en de bloedzucht te lezen staat.

Hij spreekt: Ik heb hier anders niet

als 't woord van Hem dien geen mensche'n ziet,

van God, die om een edeler doel

u schiep als den brandenden hellepoel:

Excelsior!

Doch zij... verstaan zijn spreken niet,

noch 't Kruis dat hij alléén hun biedt;

zij vragen met bedreigende hand

het vocht dat door lijf en door ziele brandt:

zij eischen 't met een gloeiende oog,

zij eischen 't, en trekken hun messen omhoog, -

hij mikt niet, en zij slachten hem...

en stervende zucht een lijze stem:

Excelsior!

Excelsior! zoo klonk de klank

der Engelen in den Hemelzang,

terwijl een jonge Priesterziel

gekroond voor de voeten des Heeren viel:

Excelsior! zoo luidt de taal

des Heeren door de Hemelzaal,

en driemaal dondert in blijden Choor:

Excelsior!! Excelsior!

Excelsior...