Gebed
A. Mervillie
Onendig wezen, God,
drievoudig, één, almachtig,
wat zijt Gij dicht bij mij,
schoon ik U zic noch hoor!
Gij zijt mijne arme ziel,
Gij zijt het al indachtig,
den hoogsten hemelbol
en 't minste mierenspoor.
U hoort het alles toe,
en toch, Gij valt mij klachtig
omdat ik, vrij, U niet
vrijwillig toebehoor:
ah! helpt, nog dezen keer,
en, 'k zwere 't U, waarachtig,
ik wil, en nimmer meer
ik vrij Uw' Wil en stoor.