Bloemetjes, bloemetjes, bloemetjes blauw
A. Mesritz-van Velthuysen
Bloemetjes, bloemetjes, bloemetjes, blauw,
bloeien in den tuin van jou,
langs de paden mag ik treden,
in het eden, in het eden.
En hoor je blijde stem,
en je tuin, die staat vol brem,
en er bloeien roode rozen,
en er groeien veel frambozen.
Overheerlijk is je laan,
waar de bonte abeelen staan,
waar, geraakt door zonnelansen,
in den wind de blaêren dansen.
Zonnebloemen, zij aan zij,
staan er in een gouden rij,
en de donkre violieren
staan te geuren en te vieren.
En daar graast je witte geit,
in het klaverveld, dat wijd
achter hooge boonenstaken
in het zonvuur ligt te blaken.
Bloemetjes, bloemetjes, bloemetjes, blauw,
bloeien in den tuin van jou,
en ik wandel stil-tevreden,
in het eden, in het eden.