De kinderkruistocht

A. Oomen

Zij hadden een stem in het licht vernomen:

"Laat de kinderen tot mij komen."

Daar gingen ze, zingende, hand in hand,

Ernstig op weg naar het Heilige Land,

Dwalende zonder gids, zonder held,

Als een zwerm witte bijen over het veld.

In de armen van een der kinderen lag

Een wolke-wit lam en een kruis met een vlag.

De mensen gaven hun warme pap

En brood en vruchten en melk in een nap,

En kusten hen, wenend om het woord

Dat de kinderen lachend hadden gehoord.

Want iedereen blijven Gods woorden vreemd

Behalve hem die ze van God zelf verneemt --

Zij zijn bij de haven op schepen gegaan

En sliepen op `t dek tegen elkander aan.

De grootste der sterren schoof met hen mee

En wees de stuurman de weg over zee.

Soms schreide er éen in zijn droom en riep

Over het water totdat hij weer sliep.

Met een dunne hand vóór haar gezicht

Dempte de maan de helft van haar licht.

Zij voeren voorbij de horizon

Waar de dag in een hoek van de hemel begon.

Toen stonden ze zingend voor-op het schip

En zagen in zee een wit huis op een klip.

Wie alles verlaat vindt in vader huis

Dat vele woningen heeft, zijn thuis.

Het anker rinkelde en viel in zee.

-Domine infantium libera me-

Het hart van een kind is zo warm en los,

-Pater infantium libaret vos-

Zo buiten de wereld en roekeloos,

-Domine infantium libera nos-

Dat ze gingen en zelfs geen afscheid namen.

- Libera nos a malo. Amen.-