In een wereld van louter plezier

A. Oomen

in een wereld van louter plezier

kwam ik haar tegen, glimlachend,

en ze zei: wat liefde is geweest

luister ernaar in de bomen

en ik knikte en we liepen nog lang

in de stille tuin.

de wereld was van louter golven

en ik zonk in haar als een lijk

naar beneden het water sloot

boven mijn hoofd en even

voelde ik een vis langs mij strijken

in de stille zee.

dag zei ik tegen haar dag kom

ik je nog eens tegen, glimlachend

maar de wind blies weg

haar gezicht in het water

en ik knikte en ik werd onzichtbaar

in het stille leven.