De maaier zingt
A. Van der Horst
De maaier zingt een zomerliedtje
en snijdt, het staal in d'handen,
alwaar hij 't dikste kooren ziet,
en dweers deur 't zonnebranden;
hij kapt, hij kerft, hij zwikt, hij zwaait,
al schuifelen in het ronde,
hij pakt, hij pikt, hij dringt, hij draait
het sperkelend graan ten gronde:
en 's navonds late, als 't westen gloeit,
hij heft zijn hoofd omhooge,
en 't slagveld, maar dat zonder bloed,
verheugt zijn dankende ooge.