Stil, over 't vredig sluimrend dorpje

A. Verhoeven

Stil, over 't vredig sluimrend dorpje

Spreidt de nacht zijn vleugels uit,

Zie, hoe hij 't in zijn grijzen mantel

En in zijn lievende armen sluit!

De heuvels rijzen in de verte

Omneveld door een zachtblaauw waas,

De blanke maan bloeit tusschen wolken,

Een lelie in een marmren vaas.

Geen stap weerklinkt meer langs de velden,

Geen vogelzang vervult de lucht,

En zelfs, in 't niet meer ruischend loover,

Heeft zich de wind in slaap gezucht.