Avondzang

Albert Kummer

Het zuidewindje suist door zwarte twijgen,

En kust het slapend dons der zangers teeder, -

De zilvren boomen wiegen heen en weder,

En doen hun schaduw met hen mede nijgen, -

Een stille zwoelte komt uit de akkers stijgen,

Een koele stilte daalt op donzen veder,

De zilvren nachtzon sprenkelt droomen neder,

En lacht van liefde in eeuwig lachend zwijgen:

Mathilde, sluimer! Zomernacht doet droomen,

En zomerdroomen zijn van manestralen.

En manestralen zijn als liefdestroomen:

De liefde doen zij uit den hemel dalen,

En dalen in de ziel, die zij vervromen:

Is liefde dwaling, kan men zoeter dwalen...?