De zaligsprekingen (Uit de bergrede, Matteüs 5)

Arvo Pärt

Zalig de armen van geest;

want hun behoort het rijk der hemelen.

Zalig, die wenen;

want ze zullen worden getroost.

Zalig de zachtmoedigen;

want ze zullen het land beërven.

Zalig, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid;

want ze zullen worden verzadigd.

Zalig de barmhartigen;

want ze zullen barmhartigheid ondervinden.

Zalig de zuiveren van hart;

want ze zullen God zien.

Zalig de vreedzamen;

want ze zullen kinderen Gods genoemd worden.

Zalig, die vervolging lijden om gerechtigheid;

want hun behoort het rijk

der hemelen.

Zalig zijt gij,

als men u beschimpt en vervolgt,

en vals beschuldigt van allerlei kwaad, om Mijnentwil.

Verheugt en verblijdt u,

want groot is uw loon in de hemel;

zo toch heeft men de profeten vervolgd, die vóór u zijn geweest.

Amen.