De dijk
B. Lier
De dijk ligt tussen 't landen 't water
met palen en bazalt.
Hier ligt hij nu, hier ligt hij later,
totdat de aarde valt.
Hij heeft de zee het land ontstolen:
haal op, haal op die heil
gespoten tongen, vette zolen,
gewassen in de klei.
Hij is gestegen uit de vloeden
met norse langzaamheid,
hij is tot schutten en tot hoeden,
tot worstelen bereid.
Vooraan, waar d'elementen woelen,
de schelle noodhoorn schalt,
schijnt hij voorwereldlijk te stoelen -
en 't water, dat vervalt
van stortzee tot de drift van kolken,
maar nimmer overmocht,
moet waaiers vouwen naar de wolken
van zilt en glinstrend vocht.
De golven mogen rijzen, dalen,
hij heeft ze steeds geveld.
De dijk zal nimmer, nimmer falen
bij water en geweld.
Hij ligt er met zijn taaie wieren
gelijk een donker dier,
de wind kan langs zijn flanken gieren
of fluiten in een kier,
hij kan in grondzee onderduiken,
gekranst met lillend schuim -
geen kracht kan deze kracht verbruiken,
hij staat er groot en ruim!