O wat ruischt toch...?

B. Verhallen

O wat ruischt toch zoo luid, zoo beangstigend vreemd,

Dat mijn luisterend oor niet uw Auistren verneemt?

O wat wolkt tusschen u toch en mij als een mist,

Dat mijn zoekende blik uw zoet aanschijn vermist?

O dat ruischen, die nevel, die dood tusschen twee

Die op één rots ontvloden de razende zee!

Is ' t geen rots dan? een wrak maar, vermolmd en verteerd,

Dat, gescheurd door den stortvloed, zijn woede niet weert?

O ik hoor u, ik zie u zoo ver van mij af....

Lief, omhels me eer wij zinken, dat we één zijn in ' t graf!