Een karretjen op den Zandweg reed
Bertha Frensel Wegener-Koopman
Een karretjen op een Zandweg reed;
De maan scheen helder, de weg was breed,
Het paardje liep met lusten;
('k Wed, dat het zelf zijn weg wel vindt:)
De voerman lei te rusten...
Ik wensch je wèl thuis me vrind!
Een karretje reed langs Berg en Dal;
De nacht was donker, de weg was smal,
Het paard liep als met vleugels;
De sneeuwjacht zweept zijn oogen blind
De voerman houdt de teugels...
Ik wensch je wèl thuis me vrind!
Eén karretje keert behouden weer;
Het ander heeft er geen voerman meer;
Waar mag hij zijn gebleven?
'k Wed dat je 'em op den zandweg vindt,
Of moog'lijk wel daarnéven...
Hij komt niet weer thuis, die vrind!