Ik kan niet lachen, ik kan niet weenen
Bertha Frensel Wegener-Koopman
Ik kan niet lachen, ik kan niet weenen,
Ik ben zo vreemd te moe;
De zomerpracht gaat henen,
Ik doe mijn oogen toe.
Daarbinnen is het donker,
Daar buiten is het kil...
Wat of dat flauw geflonker
Van vèr beduiden wil?
Zou dát het doodsuur wezen,
Waar alles op zijn best,
Verheerlijkt lijkt opgerezen,
Verschemert voor het lest?