Nu dobbert mijn Liefje op de Ree

C. Huygens

Nu dobbert mijn Liefje op de Ree,

Op de woelende, springhende baaren,

Van de wytluchtighe, groote Zee

Dien hij, elacy! Nu sal bewaren.

Vaart heen, vaart voorde windt

En denkt altoos, waar datje sint

Op haar die u bemindt.

Och had ick twee ooghen als de Son,

Die de gantsche Wereld beschouwen,

Of dat ickje, troosje, volghen kon,

Ick zouw u steets gheselschap houwen.

Maar of 't lichamelijck niet gheschiet —

Vermits de eerbaarheid 't mijn verbiedt —

Mijn Ziel en latet niet.

En al mis ik Dedalus kunst,

Die door de Lucht sijn Lief kon draghen,

Ick sal u gheleiden met mijn gunst,

Mijn waarste Lief, mijn wel behagen.

Waar ick ontslaghen van 't lodsich vleys

Mijn Geest trock met u op de reys,

Nu doetet mijn ghepeins.

Had ick Medeas Tovercracht

Ick sou Aeolus in sijn Klippen:

Bekollen mey sijn volle macht

Dat niet een wintje hem sou ontslippen.

Of borster een stoocker uyt sijn sack;

Die sou ick in u seylen strack,

Gaan stuuren met ghemack.

De winden, 't water en de vloet,

Hippende Starren en vaste Polen:

Die worden nu mijn hoochste goet

Mijn Lief, mijn licht, mijn leven bevolen;

O goedertieren Gode vermaart

O regheerders van Hemel en aart

Mijn waarde Ceyx bewaart.

Alcyone u lieve Bruyt die schreyt

't Hart wil heur van droefheyt scheuren.

Om dattet das buldert, stormt, en wayt

Diet u Tortelduyfje niet van treuren.

O Ceyx! O Ceyx! Waardighen Man!

Wat hartseer gaat u Vroutjen an,

Die can u niet syn en can.