De nacht
C. Kee
De rosse maan trekt langzaam uit den schoot
Van met haar licht beladen roosgewolk;
Heel 't landschap ligt in stilte als van den dood,
En plechtig zwijgend staat het boomenvolk.
De korenschoven, grijs in 't avondgrauw,
Met spichtig aargewarrel aan den top,
Verdwijnen allengs in den witten dauw,
En heffen zich als ijle spoken op.
Ver licht helt veld, een drijvende eenzaamheid,
Een neveloceaan in nacht van vreê,
Die deze blanke stilte heeft verbeid
Om uit te weenen ''t blij-gedragen wee.