Muziek
C. Kee
Ik hoor muziek, muziek... juichen de fluiten,
bij 't al maar breder zwieren van den rei
gaat in mijn droom niet zelfbewust voorbij
een stoet van waarlijk -blijden, die zich uiten
In spel, melodisch, als het rhythme blij,
terwijl opeens de zuiv're klank van luiten
stuwt als een golf door ' t zomerlijke buiten,
waar droomt de ziel in weel'ge mijmerij?
De zee ruischt in de verte en heel de lucht
is vol van klank en schepen zeilen uit,
wondere zwervers, blank vóór ' t morgenrood.
Het lied verklonk, maar ' k hoor in ' t windgezucht
nog luitklank en het zingen van de fluit,
zóó wil ik luist'rend schouwen, komt de Dood.