Jesu, gans alleen gelaten

C. Remmers

Jesu, gansch alleen gelaten,

komt mijne arme ziel te baten,

want ik zoo ellendig ben,

ik, die zoo veel vrienden ken.

Dank U dat Gij, uitgesloten,

toch U nimmer hebt verdroten

maar gewacht hebt, Jesu mijn,

dat ik de andere moê mocht zijn.

Dank U dat Gij mij, getrouwig,

hebt geklopt aan 't herte, rouwig

klagend ende zuchtend: 'Och!

opent Mij de deure toch!'

Ach, het zal en 't moet mij schamen

dat Gij wilt een herte pramen

en een zetel wedervraagt

waar ik U heb van gejaagd!

'Schande!' zou de wereld spreken,

moest er zulk een liefde uitbreken,

en, van iedereen gezeid,

ware 't eene uitzinnigheid.

Jesu, gansch alleen gelaten,

komt mijne arme ziel te baten,

want ik heel verlegen ben

en noch uit noch in en ken.

Zal ik leven, zal ik sterven?

Zal 'k Uw minnend aanschijn derven

en U loven, in mijn straf,

ver van Uwe kindren af?

Durf ik weêr beloften spreken

die 'k van morgen af zal breken,

en, met meerder boosheid, Heer,

U verlaten nog een keer?

Laat mij in Uwe armen leunen,

want, om op mij zelf te steunen,

hebbe ik noch en kan ik niet

als de zonde die Gij ziet.

Jesu, 'k voel mij vallen!... Valle ik

in Uw wrekende armen?... Zal ik?

Jesu! Jesu!... 'k Stel, bevreesd,

in Uw handen mijnen geest!