Het onweder

C. Ruppe

Hoe schoon schiet daar de bliksem neêr!

Hoe statig rolt de donder!

De wolken pakken saam, of drijven heen en weêr

Terwijl ik in dat al, gedugte Hemelheer!

Uw Majesteit bewonder.

Caatje:

Nu is 't voorbij: een frissche lugt

Omringt mij, waar ik ga, en doet de vogels zingen.

Ik zie een nieuwen glans op boom en veld en vrugt;

Maar, eeuwig God! gij blijft gedugt,

Zelfs in uw zegeningen.

Recitatief:

Wat zie ik, Caatje! hoe, gij beeft?

Ach wilt daar nooit voor vreezen!

't Is een geschenk, dat God ons geeft,

En daarom, lieve meid, moest Caatje dankbaar wezen.