Tropische nacht
C. Van de Wall
Sterren glanzen aan den hemelwand
En koel is van den bergwind de lucht,
Die neerstrijkt op het vlakke land...
Daar breekt een diepe gongtoon
De stilte 'van den donk'ren nacht.
Kenongtonen volgen in dichte paarlenrei
En dra klinkt, duizendschoon,
Een vol orkest in teed're klankenpracht...
Angreni, de jonge bruid,
Rijst - statig als een lotusbloem -
Langzaam van haar gulden mat;
Beweegloos als ze eerst daar zat
Is gansch heur ranke lijf één deining nu
Van schier onzicht'bre rythmen.
Het fiere hoofd is zacht van aangezicht;
De slanke armen zweven;
De fijne vingers beven.
De zijden sjerp wuift sierlijk na;
De donk're oogen - half geopend -
Zijn kuisch naar eigen ziel gericht.
Sterren kwijnen aan den hemelwand
En langzaam met den bergwind
Sterft ook de koelte op het land.
Daar luidt de laatste gongtoon
Het einde van den donk'ren nacht.