Te Bethlehem
C. van Oosterzee
Maria zoude naar Bethlehem gaan,
Kerstavond, na den noene
Sint Jozef zoude met haar gaan,
en zij hadden er klompen noch schoenen.
Het hagelde, sneeuwde, het maakte kwaad weêr,
de rijm lag op de daken.
Maria zeide met bange stem:
'Zoo ver zal ik niet geraken!
'Het weegt mij zoo zwaar, en ik voel me zoo moe,
en ik ben er aan 't eind van mijn dragen...
Zie! Ginder staat er een pachterswoon!
Laat ons dáar om nachtrust vragen!'
Zij schreden suklend door sneeuw en slijk:
zij steunde op Jozefs armen.
'Och Jozef, ik kan er niet verder voort...'
begon zij op eens te kermen.
'Het klopt zoo machtig hier in mijn schoot,
het klopt er zoo wonder: 'Doe open!
En ik hoor de stem van den Engel Gods:
'Nu wordt Gods Zoon geboren!
Toen kwamen zij vóor het huis van den Schout.
Juist sloot men er vensters en deuren.
Sint Jozef sprak: 'Gij zijt Christenen hier
Och! Laat er ons hulp gebeuren...
Een plaats bij den haard en wat stroo op den deel,
- God zal er u voor beloonen!'
Barsch zei de Schout: 'Hier is geen logies!
Maar ik zal u een schuilplaats toonen!'... -
De stal lag ver, wel een halve mijl;
strompelend gingen zij henen.
Sint Jozef troostte: 'Komaan! Heb moed!'
Maria deed niets dan stenen.
En toen zij kwamen in d'armen stal,
wat of zij daar liggen vonden?
Een os, en een heel klein ezelken,
waren aan de kribbe gebonden.
En 't was er zou koud; met wat hout en stroo
deed Jozef een vuurtje blaken.
Maria klaagde: 'Och! Hadden wij melk
om wat avondpap te maken!'
Jozef zou om wat water gaan
en de Zenne was toegevroren;
met zijn gaanstok stampte hij d'ijsschaal door:
en nu borrelde 't water te voren.
Maar toen hij in 't stalleken wederkwam,
wat wonder moest hij aanschouwen?
Daar lag een klein, bloot Kindeken zoet
in den schoot van Onzer Vrouwen.
Traag zei nu Maria: 'Mijn kind, mijn Heer!
Emanuël zult gij heeten!
Kniel, Jozef, kniel en aanbid mijn Kind...
Nu is alle leed vergeten!'