De goudfazant

C. Wildschut

Met ritslen vloog de goudfazant

Dicht vóor mij uit het rijstveld op, -

Verstoorde wreed mijn sluimer.

Het was het uur van middaggloed.

In 't lommer van d'Aglajaboom

Strekte ik mijn loome leden.

Ik sloot mijn oogen en ik sliep

En droomde van het Paradijs

En wist van leed noch zorgen.

En o daar vloog een goudfazant

Dicht voor mij uit het rijstveld op, -

Weg waren al mijn droomen.

Er is een dier nu dat ik haat.

Die vogel heet de goudfazant,

Hij heeft een boos karakter.

Nu ren ik woedend naar de stad,

'k Wil mij verschaffen pijl en boog

En goudfazanten schieten.