De krekel en de mier
C. Wildschut
Daar de krekel leefde in zang,
maanden lang,
ziet van veel zij zich verstoken,
nu de koude is aangebroken.
Niet het kleinste hapje insekt,
vlieg of rupsje, dat ze ontdekt.
En dus klampt zij, om den broode,
buurvrouw mier aan met haar nooden,
en zij vraagt wat graan te leen,
dat zij door den winter heen
voortbestaan mag tot de lente.
'Hoofdsom, zegt zij haar, en rente
krijg-je, op dierenwoord, zoo vlug
als het oogsttij wordt, terug.'
Maar zoo'n leentje-buur, zoo'n klaagster
komt de mier wel 't minst van pas.
'Wat, zoolang het zomer was,
deed-je dan?' zegt ze aan die vraagster.
'Nacht en dag, voor mensch en dier,
zong ik, als mij ingegeven.'
'Zong-je? Heb ik van mijn leven!
Dans dan nu maar. Veel pleizier!'