De laatste psalm

C. Wildschut

Als mij de droomen begeven

En de nacht rept

Over mijn levee,

Als dan een torenklok klept

Uit de verte, zal ik zijn Balm

Vertalen in een laatste psalm.

Die zal de heerlijkheid zingen

En het scheiden, --

Het geluk van de aarde, de mensch en alle dingen,

De dank en het heengaan zonder benijden,

Als van een wereld die schoonst is in haar afscheidslicht.

Of dan mijn lichaam verlaten ligt

Op het kleine kerkhof onder een steen

Of, verbrand, als asch en rook

Op de winden verdween,

Dan ook,—

Ik weet het - word ik niet vergeten.

Niet omdat teekens blijven of erinring duurt,

Maar omdat deze en die

Zal eten

Van de adem van mijn poezie,

Mijn bloed en vleesch, tot droom verpuurd.

Want wat is 't levee?

Een Broom, op adem van gezang

Bewaard, voor kort of lang,

En uit liefde gegeven