De wegwijzer
Carl, Graf Nostitz
Wat vermijd ik dan de wegen,
waar de andere wandelaars gaan,
zoek voor mij verborgen
paadjes
door met sneeuw bedekte rotstoppen?
Heb toch
niets begaan
waardoor ik mensen zou moeten mijden,
welk een dwaas verlangen
drijft me in de woestenijen?
Wegwijzers staan op de straten,
wijzen naar de steden,
en ik wandel zonder mate,
zonder rust, en rust zoekend.
Een wegwijzer zie ik staan
onverzettelijk voor mijn blik,
een straat moet ik nemen,
die nog niemand terugging.