De roze
D. Lange
Ik had mij moê gedwaald door bosch en bergen
En zachtkens schreed mijn voet, omdat een stem
Den wind zich paarde, waar hij suiz'lend door
De stille blaad'ren luwde en duizendtongig
Mij tegenlispte of langs de hellingen
Der zuiderbergen zweefde en de echoos riep,
Die speelziek tusschen 't groen der wingerts schuilden
En van dien telg der zon de taal der liefde
Bedwelmend zoet vernamen, om ze aanstonds
Der eenzaamheid te doen verstaan en mij.
En lager daalde ik, als de zonne in 't Westen,
Alleen als zij, naar 't lief'lijk dal waarom zich,
Gelijk een droom om 's dichters geest, het kleed
Der sluim'ring had gelegd. De heuvelhelling
Ontrolde een groen tapijt, waarlangs alleen
Een zoete Nymphe gaan mocht, docht me, om ginds
De fluistertaal der bloemen te beluist'ren,
Waar schoonheid woonde en met haar stilte. 'k Vlijde
Mij neder waar een enk'le, stoere stam
Zich zwijgend dalwaarts boog, verlangend de armen
Uitstrekkende - of ook hij geen ruste vond.
Der bloemen wierook geurde een hulde omhoog
Den Geest der nachten, die zich stil en zacht
Uit de aarde hief, en niet ver van mij stond
Een witte roze, die, het kopjen nijgend,
Zich sluimerziek in een onzichtbre wolk
Van geuren had gehuld, gelijk een maagd
In eigen onschuld - wen geen dartle droom
Het beeld eens and'ren in dien sluier weeft.
Zoo zat ik lang en zag - en zielewieg'lend
Omvloeiden mij der bloemen beden, rein
Als de âam eens kinds en diep als 't hart der liefde,
Zich huwende aan een stem als 't lied der lent;
Zij weefden zich om mij, om mijne ziel,
Maar die was mijn niet meer. En voor mij stond
Dezelfde roze, maar in purpren droom:
Ik zag toen hoe zij langzaam 't kopjen hief,
Haar blaadjens oop'nend, doch om ze aanstonds weer
Te sluiten - en zij boog nog dieper neer
Op haren stengel, die vooroverleende
En kwijnend zonk. Wat toen mijn hand bestuurde,
Ik weet het niet, maar 'k plukte zacht en snel
De teedre bloeme en drukte kussen op
Haar blaad'ren, vol, tot stervens vol van lust:
Een zenuwsiddering van zaligheid
Beving me, en zie, de bloeme bloeide weer
De pur'pren blaadren spreidde zij vaneen
En in het midden prijkte, zelf een zon,
Een enkel, reinheidstralend dauwjuweel;
En weder vloeide een wolk van geuren om haar,
Oneindig heerlijker dan ooit te voren,
Maar daarin aâmde ik mee: ik was een knop,
Ontbottende onder d'ademtocht der lente,
Een levend lied, ontwakende in de ziel
Der liefde, en levende ook in haar alleen.
Toen week die hemeldroom - en ik ontwaakte;
Daarboven wuifde 't groen in 't zuiver duister
Der luchten, voor mij bloeide in stil gepeins
De witte roze, en langzaam stond ik op
En ging met zachten gang langs 't groen des heuvels
En hoorde een stem, van verre, zeer van ver....