Eene bloem tot de Zonne

E. Brengier

Zonne, als 'k in mijn groene blaren

en vol waterpeerlen sta

en dat gij komt uitgevaren,

schouwt mijn bloeiend herte u na.

Throonend op den throon gezeten

van den rooden dageraad,

wilt het blomke niet vergeten,

dat naar u te wachten staat.

Langs die hooge hemelpaden,

zonne, nimmer klemmens moe,

volge ik u, van zoo 'k mijn bladen

met den morgen opendoe:

komt en zoekt mijn herte en vindt het,

u behoort het, te alder tijd,

u verwacht het, u bemint het,

die mijn hemelminnaar zijt.

's Avonds, als het wordt te donkeren,

als ge in 't gloeiend westen daalt,

schouw ik naar uw laatste vonkelen

zinkend met u nederwaard.

Hangende op mijn staal gebogen,

weene ik toen den nacht rondom,

van u niet te aanschouwen mogen:

kom toch weêre, o zonne, kom!