De bruid

E. Mulder

De lucht, over de jonge dag,

Was helderder dan ooit.

Iets ongewoon-verblijdends lag

In weide en veld gestrooid.

De torenklok zong, wat ze kon,

De vlaggen staken uit:

De bruigom was de lentezon

En Holland was de bruid.

Ze was des morgens opgestaan,

Een ranke, frisse meid.

Ze deed haar gazen sluier aan

van dunne dauwigheid.

Ze stak zich van de perenboom

De bloesem in het haar,

Die witter dan een winterdroom

is,- wonder, wonderbaar.

Ze deed een gladde gordel om

van zilverig allooi,

van zuiveren waterglans, - wat glom

die ronde gordel mooi!

Toen hechtte ze als een donzen vacht

aan haar satijnen kleed

de schuimrand die de zee haar bracht.

Toen was de bruid gereed.

Een ooievaar trad op de deel,

gewichtig, met zijn stok.

De merel was in zwart fluweel,

de zwaluw kwam in rok.

Toen keken, daar 't zó prachtig was --

En Holland is de bruid --

De madeliefjes in het gras

Haar gouden oogjes uit.

De bruigom is een edel man,

De bruid is jong en sterk.

Daar komen schone kinders van

En blijdschap bij het werk.

De bruid, - waar zag men weker leest,

Een vriendelijker mond, -

De bruid, - die maakten zeewind meest

En ruimte zo gezond.

Nu komt ze met haar lief gezicht

de bruigom tegemoet.

Wat is de hemel wijd en licht,

Wat is het leven goed!

De wereld is een wonderbron

van telkens nieuw geluid.

De bruigom is de lentezon

en Holland is de bruid.