Aurora

E. Tinel

Op de knieën! Zinkt, zinkt neer!

Bidt den dag aan van den Heer!

Ziet in vlam het Oosten blaken;

Hoort de vogelen ontwaken;

't Rookje dwarrelt uit de schouw;

Over grasbeemd en landouw,

Over bergen, over dalen,

Schuift de zon haar gouden stralen;

En haar zoete glimlach kust

Al de bloempjes uit hun rust.

Het purpren klokje van de heide,

't Vergeet-mij-nietje van de weide,

Ontsluiten 't kelkje roos en blauw,

Bepereld van den hemeldauw.

Het hooge gras schudt van zijn toppen

Miljoenen diamanten droppen;

Geheimvol wasemt bloem en kruid

Een walm en wolk van wierook uit.

Wat zilveren vlieten, serpenten die vonklen,

Die dartlend de donzige weiden doorkronklen!

Wat leven, wat zweven, gepronk en gebral!

Wat kabblen, wat babblen, wat vooglengeschal!

Wat windjes, die over de waterkens slieren!

Wat stemmen, die juublcn en juichen en vieren!

't Is alles in leven en alles in lach;

Het huldigt in vreugde den jeugdigen dag.

Traag zich heffend op de kimmen,

Ziet men de gouden zonne klimmen,

Geharnast als een oorlogsheld,

Die statig uittrekt in het veld.

Over bergen, over dalen,

Schiet hij pijlen uit van stralen.

Op de knieën! Bidt, bidt aan!

De ochtendzon is opgegaan!