Gondellied
E. Tinel
Kroezlende golfjes die babblen en tateren,
Huppelen rond om den boot;
Glinstrend spatten de wateren
Onder zijn krachtigen stoot.
De avondzon ontsteekt den hemel
In haar bree, den purpergloed,
En haar blikkrend vuurgewemel
Danst in 't wieglen van den vloed.
Dwars door 't rimplend water kronkelt
't Zonnebeeld in gouden spoor,
En van wederzijde vonkelt
't Goud de waterplooien door.
Blinkend pad van hemelglansen,
Vuurbaar over 't spieglend veld,
Die van verre zonnetransen,
Naar ons dobbrend bootje snelt.