Het lied van't maagdelijn
E. Tinel
O leeuwrik, tot de wolk gevlogen,
En daar u wieglend in den hoogen,
Hebt gij mijn' minnaar niet gezien!
„Neen, niemand noemde of wees mij dien.“
O snelle zwaluw, die gaat reizen
Naar hagelblanke wolkpaleizen,
Zaagt gij mijn' welbeminde niet?
— Neen, nergens heb ik hem bespied.
O wouden, in wier looverzalen
De zangbron vloeit der boschkoralen,
Weet gij, waar mijn verloofde zij?
„Neen, niemand trok alhier voorbij.“
O rotsen, in de ruimt' verheven,
Waarboven de adelaren zweven,
Hebt gij mijn' ridder niet ontwaard!
„Neen, noch den ridder, noch het paard.“
O vloed, wiens golven schuimend vlokken,
Is hij uw diepten doorgetrokken,
Mijn oorlogsman met zijn helmet?
„Uw oorlogsman slaapt in mijn bed.“