Kollebloemen
E. Tinel
Tusschen de tarwe
in den zomergloed,
bloeien de kollen,
rood gelijk bloed.
Tusschen de halmen,
hoog en rank,
suizelt der windjes
heimlike zang.
De leeuwerikken fladderen
met lustig geschal, -
de maaiers naderen
door 't wegelken smal.
Zij hooren het suizen
der kollen in 't graan,
en blijven al luisteren
stil in de baan.
Blozend en vonkelend als karbonkels,
rood als druppelen bloed,
staan we, kollebloemen, te gloeien
in den stralenden zomergloed!
Blijde staan wij en waaien en wiegen,
heimlik zingend ons aardig lied...
doch de binders en de maaiers,
die verstaan onze zangen niet!
Van gaan en van komen, van komen en gaan,
van leven en sterven en vluchtig bestaan,
van peerlende bloeddruppels, talrijk als dauw,
zingen we, zingen we, - en 't windje zucht 'rouw!'...
Van stervende strijders, verschrikklik doorwond,
van doorkorvene rompen gezaaid op den grond,
van bittere tranen door moeders geweend,
melden we treurig, - en 't windeken steent!...
Bloeiende, blozende,
zingen we ons lied...
binders en maaiers,
begrijpen het niet!
Zingende komen wij
ieder jaar:
ach: ons bloedig marenspellen
is maar altijd al te waar!...
*
Is 't de wind die suist door de aren
is 't de wind die zoo pijnelik zucht
is 't de donder die rotst in de verte
of een bulderend kanonnengerucht!...
Och! de maaiers hooren 't niet en pikken blij dooreen..
en tusschen de vallende aren, hoe droef is 't windgesteen!...
o! Het lied der kollebloemen
Graan en tarwe zijn plat getrede
door de rossen, stampend, wild
drommen bij drommen zijn komen gereden
de roeren geladen, de pieken gedrild
Tallooze legers zijn gekomen
duizend kanonnen sleepten ze meê!..
't Bloed zal er vloeien! 't Bloed zal er stroomen
moeders en lieven die jammeren 'Wee!
o Het lied der kollebloemen!
Zie, daar zijn ze, zie! daar strijden
zwieren, zwermen, woelen zij
vloeken, knarsen, kerven, snijde
als van duivelschen wellust blij
Kanonnen dommelen, donders grommen
offers zoekend sist het lood
roode bogen beschrijven de bommen
en de commando voert - de Dood!
o Het lied der kollebloemen!
***
'Zeg, zijt gij het, roode bloemen,
kollen uit den zomertijd...
die 'k van verre zoo hel zie blinken
ginds, in 't blankende sneeuwtapijt!
Zijn 't de binders, zijn 't de maaiers,
zijn 't hun peerden met hun vracht,
die naast u ter ruste liggen,
wen de droevige winterzonne,
treurig droomend, doodsch en rouwend,
op hun matte leden lacht?...' -
'Och neen! de kollen zijn lang vergaan!
Och neen! de maaiers en rusten daar niet!
zij zijn voor tirannen ten strijd gegaan,
zij hebben er allen hun plicht gedaan,
zij zijn er gesneuveld!...'
o Wonder lied
der roode, roode kollebloemen!
'Och neen! wat ginds de sneeuwvlok kleurt
zoo rood, de kollen en zijn het niet!
't Zijn leden en rompen doorhakt en verscheurd
't Is bloed! 't is bloed!...' -
o Droevig lied
der roode, roode kollebloemen! -
***
Bloeiend, blozend zongen de kollen
hun profetisch lied!
binders en maaiers zijn er gekomen,
ach! en zij verstonden 't niet!
Bloeiend, blozend komen ze 't zingen
elken zomer, jaar bij jaar!
ach! hun bloedig marenspellen
is maar altijd al te waar!