o Moeder Gods

E. Tinel

O Moeder Gods, o Maagdenkroone,

geduisterd staat uw beeld voor mij;

de zonde heerscht, o altijd Schoone,

en niets, dat heur weerspannig zij;

doch U en zal dat hevig donkren

beletten niet weêrom te flonkren

welhaast, o edel sterre Gij!

De winter woest, en wan van verwen

bedekt het rustend land tapijt;

geen bloemen meer, geen geurge gerwen,

het bietjen is zijn voedsel kwijt;

waar zijt Gij zelve, o Rijs van Jesse,

gebleven in dees wildernesse,

die immer blank en bloeiend zijt?

De zonne heft nog, half omneveld,

heur edel hoofd en ziet rondom

naar 'toveral in slaap gekneveld,

schier onontwekbaar menschendom;

zij daalt en laat ons in den duistren,

o edel Maged, zien en luistren

naar uwen blijden wederkom.