Visschersliedeken

E. Tinel

Ik heb mijn net geworpen

Al in de wilde zee;

Ik brenge vele visschen

In mijnen boot wel mee.

De visschen, die verkoop ik dan

Aan het volk der stadt;

En mettertijd verwerf ik

'nen grooten, rijken schat.

Ik ga dan niet meer varen

Of visschen in de zee;

Ik bouwe dan een hofken

En leef in rust en vree.

Dan span ik op de velden

Mijn oud visschersnet;

En komt een vink gevlogen,

Dan heet het: opgelet!

Doch, liever dan een vogel,

Vong ik een maagdelijn;

Dan zou wel haast mijn hutje

Vol blijde vinken zijn.