Die jongen

E. van Nieuwenhove

Zoo zalig - blij de jongen liet

klinken zijn wijs uit pijp van riet,

àl loopend langs het water,

wie was hij, die maar floot en floot,

toen ' t eerste gele uchtend-rood

blonk boven wei en water?

De wind woei leutig langs het riet,

maar boven ' t waaien klonk het lied

van den verdwaasden jongen,

die ging en spelend klanken vond,

die dartel in de lucht hij zond,

die onbezonnen jongen.

De zon kwam schijnen in de lucht,

zoo gouden-puur en een gerucht

van zangen waaide en zwierde,

een leeuwrik steeg omhoog en luid

zong 't diertje heel zijn blijdschap uit,

hoe ' t lied de lucht door - zwierde....

En zwijgend bleef de droomer staan,

om woorden preevlend weer te gaan,

àl dankend wei en water,

en wind en zon en leeuwerik

voor 't heilig -mooie oogenblik

genoten daar aan 't water...

Zoo lang geleên die jongen floot

op rieten pijp bij 't uchtend- rood,

die jongen langs dat water,

zoo lang geleên, wie was hij, die

vond in zijn ziel de melodie

van lucht en land en water?

Ik weet het niet, maar niets bleef mij

mijn heele leven zoo nabij

als die verheven morgen,

en langzaam gaande weet ik weer

het land, de lucht, de zon, het meer,

en ' t zingen van den morgen.