Zij sluimert

Emiel Constant De Ridder

Zij rust in 't malsche mos, en houdt gebogen

Dien arm, dien mos en lokken beide streelen, -

Een sprei van groene schaduw, zacht bewogen,

Daalt uit de zilverloovers der abeelen;

Zij ademt zuchten, en zij lacht, als togen

Er droomen door heur ziel, die vroolijk spelen;

O, zoete hoop! Straks opent zij heure oogen,

Straks zal de hemel nieuwe heemlen telen:

Slaap zacht! Ik zie den donkren nacht genaken,

Dat gij Uw oog voor eeuwig houdt geloken, -

Dan sluimert gij, maar kunt niet meer ontwaken:

Dan zal de zode, die gij dekt, ú dekken,

Dan zal geen zonnestraal uw lippen strooken,

Geen lied van `t woud u uit dien sluimer wekken. -