De kleine god van mei
F. Alpaerts
Herinnert g'u die avond, die avond, kind?
Wij wandelden zij aan zij, zij aan zij!
Wij wandelden die avond, wij wandelden zij aan zij.
Vlak achter ons liep, in de bloemen verward,
de kleine god, de kleine god van mei.
Hij vlocht er zijn kransen van rozerood
en wit en groen dooreen, het al dooreen.
Hij vlocht er zijn kransen dooreen van wit en groen en rozerood.
En toen hij ons daarmee omstrengeld dacht,
toen gij hij heen, toen ging het snaakje heen.
Doch toen het uur van scheiden sloeg, het uur van scheiden sloeg,
en 't sloeg maar al te ras, maar al te ras!
Doch toen het uur van scheiden sloeg, en 't sloeg maar al te ras,
toen ondervond ik, toen ondervond ik
dat alleen maar ik gebonden was.