Grafrozen

F. Alpaerts

Een schoonen doodendroom heb ik gedroomd:

Diep onder marmerblank en bloemgeboomt,

Sliep kalm en koel mijn moegemarteld, lijf.

Toen zag mijn ziel, van uit haar blauw verblijf,

Een meisjesgroep in kleedren leliewit.

En éen maagd, blond met vliegend haar, zei dit:

„ Zij die daar rust gaſ liedren ons, in ruil

Willen wij winden rozen rond haar zuil.”

En zingend slingerde om het marmerblank

De meisjesrei een smijd'gen rozenrank.

En de ééne roos was blank als duivendons,

Als maagden-onschuld -- Jonkvrouw, bid voor ons!

Als sneeuw op aarde en veedrig wolkje in ' t blauw.

En rood was de andre als ' t vlammend hart der vrouw.