Een deuntje van de hop
F. Andelhof
De hoppe kronkelde rond de staak.
gelende, spelende ranken,
en honderden bellen, rond en zwaar,
hingen er aan te blanken.
De zonne lachte op de bladeren blij,
de wind vloog keuvlend de bellen opzij.
En vrolijk bleef de pachter staan,
zag rustig de geurige ranken aan
en sprak met welgezind gemoed:
Wat staat ze geel, wat staat ze goed!
Sa! meidekens, licht de voetjes op!
Huppelt in 't ronde! Leve de hop!
In brouwers ketel had ze gebruist,
heur schoonste liekens gezongen,
en, onder de kussen der broedende vlam,
had ze van blijheid gesprongen.
Nu sloeg de kuiper op ton en vat,
waar 't lekkere drankje in te pruilen zat.
En wijl de brouwer een glas hem bood
en tot de rand vol hopnat goot:
“Oho", sprak de kuiper, “hoe helder, hoe klaar!
Wat kostelijk bierken ze hebben van 't jaar!"
En hoog op de toren waaide de vlag,
luidruchtig klonken de snaren,
en meid en knaap, 't vloog al ten dans,
hupp'lende, zwierende paren;
en ieder die van het hopnat dronk,
voelde zich blijder en zong en sprong.
Doch aan zijn wijfken de kuiper zei:
"Wat maakt dat bier de mens toch blij!
Zie! Heel mijn corpus trilt er van!
Hoe dat van die bellen toch komen kan?"