De Averulle en de Blomme

F. Celis

Daar zat ne keer een Averulle

en lekte met nen zom,

zom, zom,

den dauw van op de blaren,

die klaar bedreupeld waren

lijk met nen dreupel rom,

rom, rom.

Wanneer zij fraai gedronken had,

zoo vloog ze scheef en krom,

rom, rom,

al neuzlen en half dronken,

tot waar de kleêrkes blonken

van eene schoone blom,

lom, lom.

De blomme die ze kommen zag

en viel niet al te dom,

dom, dom,

maar riep zoo, loos van zinnen:

'Hei, Kobbe, kom mij spinnen

een kobbenet rondom,

om, om.'

En Kobbe, die was seffens g'reed,

en steld' heur pootjes krom,

rom, rom;

zij spon heur looze netten

om heur daarin te zetten,

en zat daar stille en stom,

tom, tom.

En als de Rulle kwam nabij

geflodderd, krom en slom,

lom, lom,

zoo is ze in 't net gevlogen,

en deerlijk uitgezogen,

ofschoon zij jankte: 'Zom,

zom, zom!'

De looze blomme loech ermeê,

die looze booze blom,

lom, lom,

eilaas! zoo menig jonkher

wordt uitgezogen pronker,

om eene schoone blom,

dom! dom!