Aan de schoonheid

F. Michielsens

Met weekblauwe ogen zag de oneindigheid

Des hemels naar de donzen rozenglans,

Waar Zij in daagde: een breed-gewiekte krans

Van zielen had zich onder haar gereid.

Een geur van zomer-bloesems begeleidt

De zang der zonnen - duiven - die heur trans

Doorglóren in eerbied'ge rondedans

Om Haar, wier glimlach sferen groept en scheidt;

'Schoonheid, o, Gij, Wier naam geheiligd zij,

Uw wil geschiede; kóme Uw heerschappij;

Naast U aanbidde de aard' geen andre god!

Wie eenmaal U aanschouwt, leefde genoeg:

Zo hem de dood in deze stond versloeg....

Wat nood? Hij heeft genoten 't hoogst genot!'