De vreemdelinge

F. Roeske

Eens, in den herfstnacht, ankerden we aan 't eiland

Der papegaaien. Zilver blonk de maan

Boven den stroom, die ruischend door het donker gleed.

Daar hoorden we in een schip nabij een stem,

Een menschestem, die droef klonk als de dood.

Zij zweefde heen en weende, weende, weende,

Zooals wij 't nimmer hoorden, kwijnde en zweeg.

Wij zochten naar den zanger en wij vonden

Een jonge vrouw. Als sneeuw in 't maanlicht blonk

De jonkheid van haar wangen. Aan de mast geleund,

Bekoorlijk stond de bleeke jonge vrouw.

En tranen stroomden van haar wangen neer.

In 't blanke maanlicht blonken zij als paarlen

En niet te stelpen vloeiden tranen, tranen.

Wij vroegen haar vanwaar zij kwam, waarom

Haar lied zoo droef klonk en waarom zij weende.

Wij vroegen nogmaals en zij weende weder

En boog tot op de borst haar aangezicht,

En zag ons niet en sprak geen woord tot ons.

En tranen vloeiden van haar wangen neer.

In 't blanke maanlicht blonken zij als paarlen...